vrijdag 29 april 2011

Vrijdag 29 april – naar Soemba

Na het ontbijt brachten de beide auto’s ons, met alle 14 koffers en handbagage erin, naar het vliegveld van Denpasar. Een ritje van zo’n 10 minuten. Aangekomen bij het vliegveld gingen we als een speer door de controles om als eerste bij de incheckbalie te zijn. En da’s gelukt, om 8.45 uur stonden we er in de rij. Toen wachten tot de balie openging en we onze boardingpassen kregen; dat heeft wel even geduurd. Ondertussen kon Arjan nog even geld uit ‘de pot’ pinnen, aangezien dat op Soemba wat lastiger gaat. Hij was ineens weer een meerdere keren miljonair! Vervolgens door de paspoortencontrole en nog ’s met de handbagage door de scan. Daarna weer wachten tot ons vliegtuig (van Batavia Air) om 10.45 uur zou gaan vertrekken…

Met zo’n drie kwartier vertraging vertrokken uiteindelijk we richting Kupang, de hoofdstad van Timor. Ons vliegtuig is een ‘eilandhopper’ met in- en uitstappers in Jakarta, Surabaya, Denpasar, Kupang en als eindbestemming Waingapu op Soemba. En dan weer dezelfde route terug. We hadden goed uitzicht en konden de kustlijnen van een aantal Oost-Indonesische eilanden mooi volgen (Lombok en Sumbawa) en niet veel later vlogen we ook over Soemba. In Kupang, de hoofdstad van het eiland Timor, maakten we een korte tussenstop. In eerste instantie was het de bedoeling dat we een stop van ongeveer een uur zouden maken, maar vanwege de vertraging werd die ingekort tot 20 minuutjes. Omdat we op het vliegveld een ontmoeting zouden hebben met de dominee van de GGRI-gemeente in Kupang, is Alie nog wel even van boord geweest en de dominee en z’n vrouw nog snel  even opgezocht. We kregen de hartelijke groeten overgebracht. En gelukkig was Alie voor de doorstart weer terug...

Om kwart voor drie landden we op Waingapu, de hoofdstad van Soemba. Vanuit de lucht hadden we het al gezien, maar het landschap van Soemba ziet er compleet anders uit dan de eilanden waar we de afgelopen dagen vertoefd hebben. Een stuk droger, uitgestrekte vlaktes met af en toe een boom, wat huisjes en ook regelmatig vee (koeien en geiten). Jan wachtte ons op en daarna was het wachten op onze bagage. Meteen raakten we in het Soembanese ritme: op de een of andere manier was het nodig om de drie gevulde bagagekarren zo’n half uur bij het vliegtuig te laten staan, terwijl honderden mensen zich verdrongen rond de enige transportband in de kleine aankomsthal. Maar nadat we alles bijeen verzameld hadden, konden de koffers bovenop de bus en wijzelf erin.

De rit ging allereerst naar de kerk van Waingapu, waar tegenwoordig ook de theologische school van de GGRI (Gereja-Gereja Reformasi di Indonesia) gevestigd is. Jan heeft hier de afgelopen week lesgegeven en is als ‘flying teacher’ hier vier keer per jaar een aantal weken actief als docent. We werden in het kerkgebouw ontvangen door dominee Jan en zijn vrouw en de studenten, een stuk of 15. In totaal studeren hier 21 studenten, maar een aantal van hen doet een praktijkjaar in een plaatselijke gemeente. De totale studieduur is vier jaar, waarvan dus één stagejaar. De jongens wonen hier intern en gaan af en toe ’s naar huis. Ze stelden zich allemaal voor en vertelden kort iets over henzelf, Jan vertaalde. In leeftijd variëren ze van 20-25; één van hen was 35 (net zo oud als Arjan). Ze krijgen elke dag les (vijf dagen/week) van 8-12 uur. Ook wijzelf stelden ons even voor; vooral de leeftijd van opa Rinus (82 jaar) maakte diepe indruk… De kerk heeft plannen voor nieuwbouw van een scholencomplex/campus en de dominee liet daarvan wat tekeningen van de aannemer zien. Zowel aan de kerken in Nederland (via De Verre Naasten), als de kerken in Australië is gevraagd een financiële bijdrage te leveren.  

Tegen vier uur vertrokken we Wai Marangu, een rit van zo’n anderhalf uur. De weg was prima, de chauffeur had er flink de sokken in. Af en toe even afremmen voor wat koeien, geiten of een overbeladen vrachtwagen met een laadbak vol mensen. Als je door de spleetjes van je ogen keek, waande je je tijdens de rit op Terschelling: droog helmgras, af en toe een struik duindoorn en wat duinen op de achtergrond… Maar als je je ogen beter de kost gaf, zag je dat je totaal ergens anders was: regelmatig wat huisjes/kleine dorpjes, brommertjes, geiten en koeien. Inmiddels ging de zon onder en kwamen we in ’t donker aan bij het gastenhuis in Wai Marangu. Dit is het huis waar Jan en Alie in de jaren ’80, tijdens hun Soemba-jaren, met hun kinderen woonden. Tegenwoordig is dit huis in bezit van de kerk (GGRI) en is het te huur voor gasten/bezoekers.

We werden vriendelijk ontvangen door de ‘oppassers’/beheerders van het gastenhuis en hun drie kinderen, alle drie genoemd naar Nederlandse zendingswerkers: Henk Oostra, Dineke (Groen) en Thijs (Oosterhuis). Alie verdeelde de kamers, waarna we met elkaar nasi aten. Vervolgens moesten de koffers van het dak. Daarna vertrokken Jan, Arjan, Marga en Jenny met de bus naar een huis ietsje verderop, omdat niet iedereen in het gastenhuis kan slapen. Dit is het huis van Indyo, de lokale medewerker van De Verre Naasten, die de kerken hier adviseert bij hun kerkelijke administratie, projectmanagement en de stichting Yakerrsum (ook van de kerk) begeleidt/adviseert bij de uitvoering van de verschillende landbouwprojecten op Soemba. Ook de chauffeurs slapen hier. We moeten hier zuinig aan doen de elektriciteit, want dat wordt geleverd door zonnecellen of een generator. Ook mobiel bereik is hier terplekke een schaars goed, daarvoor moeten we een stukje verderop de berg op. Water is er op ’t moment wel genoeg, want er is hier de laatste tijd erg veel regen gevallen. Maar helaas zijn daardoor de oogsten mislukt…

Na nog wat mandiën – een douche is hier niet, je gooit gewoon een bakje water over je heen – gaan we slapen. Allemaal onder de klamboe, want er zijn hier muskieten… En vanwege mogelijke malaria zijn we allemaal aan ‘de pil’. Maar slapen gaat prima, raampjes open, muskietengaas ervoor en onder een lakentje.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen